Camilo heeft een dansje. Het gaat ongeveer zo dat hij van het ene been op het andere been springt en daarbij het been waarop hij staat onder zijn bovenlichaam plaatst en het andere vanuit zijn heupen opzij gooit. Ook zijn hoofd en bovenlichaam bewegen daarbij heen en weer.
Al naar gelang de heftigheid van de emotie die het dansje uitdrukt (dat kan boosheid / driftigheid zijn, maar ook blijdschap en enthousiasme), neemt de frequentie van de bewegingen toe en worden ze al dan niet begeleid door een “ik wil niehiehiehiehiehiet” een “hihi” of gewoon een grote glimlach.
Laatst deed hij het hier op de camping in de familiedouche. Gleed hij uit en viel hij prompt op de gebroken witte tegels, waarbij hij overigens wel bleef lachen.
Vandaag deed hij een beperkte versie met alleen zijn bovenlichaam en hoofd, omdat hij net wakker was, zijn vader hem op had getild en hij geen TV mocht kijken. (“Ik wil nú Robin Hood kijken!”)
Wanneer hij ermee is begonnen, kan ik me niet echt herinneren, maar ik weet nog wel wat één van de buurvrouwen zei toen we in november 2017 (Camilo was toen anderhalf) langs de deuren gingen voor Sint Maarten: “Heel mooi gezongen jullie en jij heel mooi gedanst!”
zondag 11 augustus 2019
dinsdag 6 augustus 2019
Feest
“Gaan we nu naar De Pan?” vraagt ze en we kijken elkaar aan. Ja, het is feest vandaag op Camping Bakkum en je hoort de dreunende bas van de boxen bij het theater met de halfronde kap op kilometers afstand. Blijkbaar heeft het nieuws zich ook onder de kinderen verspreid, want Aimée vindt dat wij moeten gaan.
Ik had er wel zin in. Stelde me een discosfeertje voor en zag de bars al klaar staan. Wat we aanvankelijk uit de verte hadden gehoord van een coverband, klonk nog zo slecht niet, maar de smartlappen die er achteraan kwamen, vond ik wat minder aantrekkelijk.
“Laten we maar even gaan kijken joh,” zeg ik en we staan op om de bups klaar te maken. Sol in de draagdoek, Valentín in de buggy (grote kans dat hij in slaap valt!) en Aimée op de fiets.
Het theater is ongeveer 500 m lopen en in de grond uitgehakte tribune zit helemaal vol. Gaetano loopt naar een plekje aan de zijkant.
Inmiddels heeft een R’n’B zangeres het podium ingenomen: Birgit (spreek uit: Burgit) Lewis. Geflankeerd door twee danseressen in zwarte gordijnenpakjes en begeleid door de band (spreek uit: band; wie heeft er met zo’n stem live-muzikanten nodig?) zingt ze nummers van Rihanna (geloof ik?) en Beyoncé, maar ook van Shaka Kahn en Tina Turner.
Aimée wil het zien; ik weet niet precies wat het is dat haar fascineert. De pakjes van de danseressen misschien of hun moves, of simpelweg de Vrouw met de Stem, maar we bewegen meer naar het midden en ik neem haar op mijn nek. Ze wil het nóg beter zien en neemt me aan mijn hand mee naar voren.
Dicht bij het podium is genoeg plek. De toeschouwers of liever gezegd meedansers hier zijn allemaal meisje en onder de zestien. Hier kun je heerlijk jezelf zijn, met een knuffel onder je arm, je wasberenpak aan, of gewoon in je lievelingsrokje. Ik vind het plezier van mijn dochter een goed excuus omweer eens gewoon lekker te dansen alsof niemand kijkt. Het lijkt alsof het jaren, zwangerschappen, kraamtijden en schooljaren geleden is dat ik dat heb gedaan.
Na het toegift van Burgit (Purple Rain van Prince), neemt Bob met de Blue Boys het over. Hij, de zanger, in wit-zwart, zij, de muzikanten, in zwart-wit. Zingen gewoon waar ze zin in hebben: ben nu alleen even vergeten wat.
Oh ja, Queen bijvoorbeeld. Als ze zingen “Don’t stop me now! (‘Cause I’m having a good time)” appt manlief me of ik hem de sleutels van het huis kom brengen. De broertjes zijn blijkbaar in slaap gevallen. We lopen de berg weer op en brengen de sleutels, gaan dan nog even terug naar het podium, maar het momentum is weg. Als ik Aimée vraag of ze nog wil blijven of naar huis wil, zegt ze: naar huis. ’t Is mooi geweest.
Ik had er wel zin in. Stelde me een discosfeertje voor en zag de bars al klaar staan. Wat we aanvankelijk uit de verte hadden gehoord van een coverband, klonk nog zo slecht niet, maar de smartlappen die er achteraan kwamen, vond ik wat minder aantrekkelijk.
“Laten we maar even gaan kijken joh,” zeg ik en we staan op om de bups klaar te maken. Sol in de draagdoek, Valentín in de buggy (grote kans dat hij in slaap valt!) en Aimée op de fiets.
Het theater is ongeveer 500 m lopen en in de grond uitgehakte tribune zit helemaal vol. Gaetano loopt naar een plekje aan de zijkant.
Inmiddels heeft een R’n’B zangeres het podium ingenomen: Birgit (spreek uit: Burgit) Lewis. Geflankeerd door twee danseressen in zwarte gordijnenpakjes en begeleid door de band (spreek uit: band; wie heeft er met zo’n stem live-muzikanten nodig?) zingt ze nummers van Rihanna (geloof ik?) en Beyoncé, maar ook van Shaka Kahn en Tina Turner.
Aimée wil het zien; ik weet niet precies wat het is dat haar fascineert. De pakjes van de danseressen misschien of hun moves, of simpelweg de Vrouw met de Stem, maar we bewegen meer naar het midden en ik neem haar op mijn nek. Ze wil het nóg beter zien en neemt me aan mijn hand mee naar voren.
Dicht bij het podium is genoeg plek. De toeschouwers of liever gezegd meedansers hier zijn allemaal meisje en onder de zestien. Hier kun je heerlijk jezelf zijn, met een knuffel onder je arm, je wasberenpak aan, of gewoon in je lievelingsrokje. Ik vind het plezier van mijn dochter een goed excuus omweer eens gewoon lekker te dansen alsof niemand kijkt. Het lijkt alsof het jaren, zwangerschappen, kraamtijden en schooljaren geleden is dat ik dat heb gedaan.
Na het toegift van Burgit (Purple Rain van Prince), neemt Bob met de Blue Boys het over. Hij, de zanger, in wit-zwart, zij, de muzikanten, in zwart-wit. Zingen gewoon waar ze zin in hebben: ben nu alleen even vergeten wat.
Oh ja, Queen bijvoorbeeld. Als ze zingen “Don’t stop me now! (‘Cause I’m having a good time)” appt manlief me of ik hem de sleutels van het huis kom brengen. De broertjes zijn blijkbaar in slaap gevallen. We lopen de berg weer op en brengen de sleutels, gaan dan nog even terug naar het podium, maar het momentum is weg. Als ik Aimée vraag of ze nog wil blijven of naar huis wil, zegt ze: naar huis. ’t Is mooi geweest.
vrijdag 24 mei 2019
Woningnet
Wij wonen... klein. Ons appartement is vijfenvijftig vierkante meter. We hebben twee slaapkamers en drie kinderen. De indeling is gunstig, maar vergeleken met sommige anderen is de woning best wel beperkt. We hebben een balkon, waar we ook de nodige spullen kwijt moeten, en geen tuin, dus echte buitenspeelruimte hebben we niet.
Althans, niet voor onszelf. Vóór ons huis is echter een hele ruime speeltuin, waar je naar hartelust kunt rondbanjeren en je altijd andere kinderen ontmoet met wie je taartjes of oliebollen kunt bakken of vadertje en moedertje kunt spelen.
Soms vertel ik mezelf dat we dus in een klein paradijsje wonen, waar alles wat we nodig hebben eigenlijk al is. Andere keren wil ik meer en vind ik dat we een ruim huis zouden moeten hebben, op de begane grond het liefst, zodat de kinderen meer ruimte hebben om binnen te spelen
Vanuit die mening kijk ik dan regelmatig op Woningnet, om te kijken of we misschien in aanmerking komen voor iets groters, iets beters.
Volgens mij zijn er weinig dingen zenuwslopender dan zo'n zoektocht naar een huis in Amsterdam. Voor wie het systeem van Woningnet niet kent: je kunt elke week op twee sociale huurwoningen reageren en al naar gelang de wachttijd die je hebt opgebouwd (in ons geval zeventien jaar) én de eventuele van toepassing zijnde voorrangsregelingen waarvoor je in aanmerking komt (als jongere, bijvoorbeeld, als senior, of, zoals in ons geval, als "groot" gezin), krijg je een nummer toebedeeld in de wachtrij.
Het computerprogramma houdt dat de hele reactieperiode van een week en voor elk moment bij, dus misschien ben je nummer één op dag één (wow, het huis is hoe dan ook voor jou!), sta je de volgende dag op nummer zeven (je maak tin elk geval kans!) en ben je aan het eind van de week nummer drieëndertig geworden (vergeet het maar...).
Mocht je wél in aanmerking komen voor een bezichtiging, dan is dat het enige moment dat je kunt komen kijken (moet je dus niet toevallig moeten werken of iets anders belangrijks hebben), en vervolgens moet je binnen één werkdag beslissen of je het huis wil of niet. En moet je min of meer binnen een maand verhuizen, tenzij je dubbele maandlasten kunt betalen (wat de meeste mensen die voor een sociale huurwoning in aanmerking komen, niet kunnen).
Soms ben ik bijna blij dat er niets opstaat wat mijn goedkeuring kan wegdragen, want dan hoef ik tenminste niet te gaan hopen, voors en tegens tegen elkaar af te wegen, teleurgesteld te raken of op het laatste moment toch koudwatervrees te krijgen voor een daadwerkelijke verhuizing.
Het is al drie keer voorgekomen dat we zijn gaan kijken en dat we het toch niet wilden of niet aandurfden. Eén keer hebben we daarvan een paar weken later best wel spijt gehad, maar gelukkig slijt spijt ook.
Deze week zijn er maar liefst twee woningen (met tuin en voldoende kamers) die we wel zouden willen hebben.
De ene staat aan de Vegastraat, in "hip and happening" doch "far and away" noord: hier te gaan wonen zou een draai van 180 graden zijn, een sprong in het duister over het Vondelpark, het stadcentrum en IJ, weg uit ons zo geliefde buurtje aan het Hoofddorpplein. Met een zachte landing, dat wel, in authentiek Tuindorp Oostzaan, in een halfvrijstaande woning in een gemoedelijke straat.
De andere woning is in de Rivierenbuurt, een deel van de stad dat ik altijd als saai en statisch, grijze-muizerig heb beschouwd, maar waar veel families met kinderen schijnen te wonen, beschikt over een mooie architectuur en niet ver weg is van onze huidige uitvalsbasis én de levendige Pijp. Als ik door het saaie en statische heenkijk, zie ik ook rust en ruimte. En gemoedelijkheid: een Deen-supermarktje en een groen en schattig schooltje om de hoek.
Nou ja, de tijd zal het leren. De zon schijnt en eigenlijk zit ik hier, aan mijn keukentafel met uitzicht op bomen en het plein, wel goed. Ik ga lekker vader en moedertje spelen.
Althans, niet voor onszelf. Vóór ons huis is echter een hele ruime speeltuin, waar je naar hartelust kunt rondbanjeren en je altijd andere kinderen ontmoet met wie je taartjes of oliebollen kunt bakken of vadertje en moedertje kunt spelen.
Soms vertel ik mezelf dat we dus in een klein paradijsje wonen, waar alles wat we nodig hebben eigenlijk al is. Andere keren wil ik meer en vind ik dat we een ruim huis zouden moeten hebben, op de begane grond het liefst, zodat de kinderen meer ruimte hebben om binnen te spelen
Vanuit die mening kijk ik dan regelmatig op Woningnet, om te kijken of we misschien in aanmerking komen voor iets groters, iets beters.
Volgens mij zijn er weinig dingen zenuwslopender dan zo'n zoektocht naar een huis in Amsterdam. Voor wie het systeem van Woningnet niet kent: je kunt elke week op twee sociale huurwoningen reageren en al naar gelang de wachttijd die je hebt opgebouwd (in ons geval zeventien jaar) én de eventuele van toepassing zijnde voorrangsregelingen waarvoor je in aanmerking komt (als jongere, bijvoorbeeld, als senior, of, zoals in ons geval, als "groot" gezin), krijg je een nummer toebedeeld in de wachtrij.
Het computerprogramma houdt dat de hele reactieperiode van een week en voor elk moment bij, dus misschien ben je nummer één op dag één (wow, het huis is hoe dan ook voor jou!), sta je de volgende dag op nummer zeven (je maak tin elk geval kans!) en ben je aan het eind van de week nummer drieëndertig geworden (vergeet het maar...).
Mocht je wél in aanmerking komen voor een bezichtiging, dan is dat het enige moment dat je kunt komen kijken (moet je dus niet toevallig moeten werken of iets anders belangrijks hebben), en vervolgens moet je binnen één werkdag beslissen of je het huis wil of niet. En moet je min of meer binnen een maand verhuizen, tenzij je dubbele maandlasten kunt betalen (wat de meeste mensen die voor een sociale huurwoning in aanmerking komen, niet kunnen).
Soms ben ik bijna blij dat er niets opstaat wat mijn goedkeuring kan wegdragen, want dan hoef ik tenminste niet te gaan hopen, voors en tegens tegen elkaar af te wegen, teleurgesteld te raken of op het laatste moment toch koudwatervrees te krijgen voor een daadwerkelijke verhuizing.
Het is al drie keer voorgekomen dat we zijn gaan kijken en dat we het toch niet wilden of niet aandurfden. Eén keer hebben we daarvan een paar weken later best wel spijt gehad, maar gelukkig slijt spijt ook.
Deze week zijn er maar liefst twee woningen (met tuin en voldoende kamers) die we wel zouden willen hebben.
De ene staat aan de Vegastraat, in "hip and happening" doch "far and away" noord: hier te gaan wonen zou een draai van 180 graden zijn, een sprong in het duister over het Vondelpark, het stadcentrum en IJ, weg uit ons zo geliefde buurtje aan het Hoofddorpplein. Met een zachte landing, dat wel, in authentiek Tuindorp Oostzaan, in een halfvrijstaande woning in een gemoedelijke straat.
De andere woning is in de Rivierenbuurt, een deel van de stad dat ik altijd als saai en statisch, grijze-muizerig heb beschouwd, maar waar veel families met kinderen schijnen te wonen, beschikt over een mooie architectuur en niet ver weg is van onze huidige uitvalsbasis én de levendige Pijp. Als ik door het saaie en statische heenkijk, zie ik ook rust en ruimte. En gemoedelijkheid: een Deen-supermarktje en een groen en schattig schooltje om de hoek.
Nou ja, de tijd zal het leren. De zon schijnt en eigenlijk zit ik hier, aan mijn keukentafel met uitzicht op bomen en het plein, wel goed. Ik ga lekker vader en moedertje spelen.
dinsdag 26 maart 2019
Triggers
Als psychotisch depressieveling (of is het depressieve psychoot?) heb ik een heel scala aan dingen die mij kunnen triggeren. Dingen waarin ik me met een negatieve overtuiging of twijfel vast kan zetten, in mijn hoofd.
Een anthroposofisch aandoend gebreid mutsje op het hoofd van een willekeurig kind, kan in mij de overtuiging wakker kussen dat ik mijn kind naar de Vrije School had moeten doen. Daarop volgt de vraag waarom ik dat niet gedaan heb en vervolgens het antwoord dat ik te stom ben geweest om dat te doen. En dan weer terug naar de overtuiging, de vraag, het antwoord en zo rond.
Een moeder die haar baby in een Yoyokinderwagen te slapen legt, herinnert mij eraan hoe handig die lichtgewicht wagen wel niet is; dat ik die wagen ook had willen hebben, dat ik hem had willen kopen en dat het zo stom is dat ik dat niet gedaan heb... En weer terug naar "hoe handig" en van daar naar "had ik ook" en naar "hoe stom" en zo verder. Ad infinitum.
Nou, bijna tot in de oneindigheid dan, want het begint erop te lijken dat, hoewel ik nog bijna dagelijks en meestal 's ochtends in zulke vicieuze denkspiralen terecht kom, ik er ook weer uitkom, in de loop van de dag in elk geval en steeds gemakkelijker en sneller. Dat ik langzaam maar zeker de stopknop begin te vinden.
Ik begin ook voorspelbaar te worden, niet alleen voor anderen, maar ook voor mezelf. Gisteren sprak ik een vader uit de buurt die niet zo te spreken was over de nieuwe toestellen in "onze" speeltuin. Dat is ook één van mijn obsessies: het had allemaal beter en mooier gemoeten en ík had op de inspraakavonden meer van me moeten laten horen.
In het gesprek met deze vader zeg ik dat niet. Ik probeer zijn oordeel te relativeren, noem de positieve kanten van de vernieuwing en vraag of hij soms ook moeite heeft met verandering, net als ik.
Als ik naar binnen ga voor het avondeten, denk ik bij mezelf dat mijn gedachten de volgende ochtend best wel eens over de speeltuin zouden kunnen gaan en verhip: ik sta 's ochtends op met in mijn hoofd de toestellen waarvan ik vond dat we ze hadden moeten hebben.
Ik zit er wel "in", in het denken, maar ik kan er ook een beetje van buitenaf naar kijken. Ik probeer mezelf net zo te behandelen als ik de vader uit de buurt gisteren deed: creëer een zonnig beeld van de speeltuin zoals hij nu is en zeg daarbij: zo is het goed.
Het werkt wel! Die middag neem ik mijn twee jongens mee naar een andere speeltuin, waar ze wel zo'n leuk speelhuisje voor de kleintjes hebben. Fijn om te merken dat Valentín in eerste instantie voor de tractor gaat die daar rondslingert en niet zo zeer voor het huisje.
We spelen er later wel in en ik denk bij mezelf: dit is niet onze eigen speeltuin, maar we kunnen er wel af en toe komen. Verandering van spijs doet eten: onze speeltuin is zo, een andere is zus en we hebben de vrijheid om dat allemaal te ervaren.
Meer kunnen we niet doen en dat hoeft ook niet, want ervaren is heel wat. Misschien is er zelfs wel niet veel meer dan dat.
Een anthroposofisch aandoend gebreid mutsje op het hoofd van een willekeurig kind, kan in mij de overtuiging wakker kussen dat ik mijn kind naar de Vrije School had moeten doen. Daarop volgt de vraag waarom ik dat niet gedaan heb en vervolgens het antwoord dat ik te stom ben geweest om dat te doen. En dan weer terug naar de overtuiging, de vraag, het antwoord en zo rond.
Een moeder die haar baby in een Yoyokinderwagen te slapen legt, herinnert mij eraan hoe handig die lichtgewicht wagen wel niet is; dat ik die wagen ook had willen hebben, dat ik hem had willen kopen en dat het zo stom is dat ik dat niet gedaan heb... En weer terug naar "hoe handig" en van daar naar "had ik ook" en naar "hoe stom" en zo verder. Ad infinitum.
Nou, bijna tot in de oneindigheid dan, want het begint erop te lijken dat, hoewel ik nog bijna dagelijks en meestal 's ochtends in zulke vicieuze denkspiralen terecht kom, ik er ook weer uitkom, in de loop van de dag in elk geval en steeds gemakkelijker en sneller. Dat ik langzaam maar zeker de stopknop begin te vinden.
Ik begin ook voorspelbaar te worden, niet alleen voor anderen, maar ook voor mezelf. Gisteren sprak ik een vader uit de buurt die niet zo te spreken was over de nieuwe toestellen in "onze" speeltuin. Dat is ook één van mijn obsessies: het had allemaal beter en mooier gemoeten en ík had op de inspraakavonden meer van me moeten laten horen.
In het gesprek met deze vader zeg ik dat niet. Ik probeer zijn oordeel te relativeren, noem de positieve kanten van de vernieuwing en vraag of hij soms ook moeite heeft met verandering, net als ik.
Als ik naar binnen ga voor het avondeten, denk ik bij mezelf dat mijn gedachten de volgende ochtend best wel eens over de speeltuin zouden kunnen gaan en verhip: ik sta 's ochtends op met in mijn hoofd de toestellen waarvan ik vond dat we ze hadden moeten hebben.
Ik zit er wel "in", in het denken, maar ik kan er ook een beetje van buitenaf naar kijken. Ik probeer mezelf net zo te behandelen als ik de vader uit de buurt gisteren deed: creëer een zonnig beeld van de speeltuin zoals hij nu is en zeg daarbij: zo is het goed.
Het werkt wel! Die middag neem ik mijn twee jongens mee naar een andere speeltuin, waar ze wel zo'n leuk speelhuisje voor de kleintjes hebben. Fijn om te merken dat Valentín in eerste instantie voor de tractor gaat die daar rondslingert en niet zo zeer voor het huisje.
We spelen er later wel in en ik denk bij mezelf: dit is niet onze eigen speeltuin, maar we kunnen er wel af en toe komen. Verandering van spijs doet eten: onze speeltuin is zo, een andere is zus en we hebben de vrijheid om dat allemaal te ervaren.
Meer kunnen we niet doen en dat hoeft ook niet, want ervaren is heel wat. Misschien is er zelfs wel niet veel meer dan dat.
maandag 25 maart 2019
Zeepbellen en tranen
Vandaag is er op school een ceremonie om afscheid te nemen van Helena, een meisje dat we gek genoeg pas na haar dood hebben leren kennen en wier foto bij de ingang op een tafeltje staat, tezamen met een boekje waarin je iets kunt schrijven.
Veel verder dan "Veel sterkte" kom ik daarbij niet. Onder de douche denk ik: "ook al ken ik je niet, toch voel ik het verdriet."
Als ik Aimée bijtijds op ga halen, zodat we samen naar het hoofdgebouw kunnen lopen, kom ik Daniëlle, de moeder van Ayla tegen en kort daarop ook Matthijs, de vader van Eveline. Ik wil graag met beiden oplopen en dat lukt. Onze dochters lopen mee.
Onderweg passeren we allerlei kindjes met hun ouders. Ze zwaaien naar Aimée. Gek om te merken dat zij allerlei vriendjes heeft, die ik nog nooit heb gezien. Stom om gedacht te hebben dat zij misschien wel niet zo veel aansluiting heeft op school of dat ik haar bij het aangaan van vriendschappen zou moeten helpen. Dat kan ze prima (en waarschijnlijk ook alleen maar) zelf.
De stemming is opgewekt. De kinderen vergelijken de kleine flesjes bellenblaas die ze hebben gekregen onderling. "Mijne is roze!" "Bij mij staat er een eenhoorn op." De flesjes gaan vast open en ze blazen in het rond.
Bij het hoofdgebouw aangekomen, nemen de kinderen een plekje in op de trappen van het gebouw. Ik help een beetje. Als ouders nemen we wat afstand en staan we op het plein. Dan verschijnt de directrice. Ze geeft een soort verbaal startschot en dan is het: blazen maar.
Het effect is overweldigend. De bellen stijgen op naar de zon in de strakblauwe lucht, die iets of iemand voor de gelegenheid heeft neergezet. Eén van de eerste zonovergoten lentedagen.
Het lijkt wel alsof de bellen een soort stilte neerzetten. Een vrolijke stilte. Een prachtige, bewogen stilte, met een glimlach.
Ik krijg het te kwaad, Daniëlle pakt mijn arm en Matthijs staat net als ik een beetje te huilen. "Dat is al de tweede keer dat ik hem op het schoolplein zie huilen," grap ik, in een poging Matthijs op zijn gemak te stellen.
"Denk je dat ze dit ziet?" zegt Daniëlle. "Ja, zeker!" zeg ik overtuigd - ik sta er zelf versteld van - en ik stel me voor dat het meisje stralend kijkt naar wat de kinderen voor haar doen.
Na een paar minuten zegt de directrice: "en nu zwaaien we nog allemaal een keer naar Helena in de hemel" - de atheïst en agnost in mij snoer ik de mond. Ja, we zwaaien allemaal nog een keer naar Helena in deze hemel zo blauw dat het bijna pijn doet.
Dan gaan de kinderen weer spelen, lekker op het plein.
Ik besef die avond dat ik niet alleen ben tussen de ouders hier op school. Ik heb verdriet en ontroering kunnen delen met twee mensen om me heen. Dat is een vorm van vriendschap, verbondenheid.
Waar iets of iemand sterft, wordt altijd ook iets nieuws geboren.
Veel verder dan "Veel sterkte" kom ik daarbij niet. Onder de douche denk ik: "ook al ken ik je niet, toch voel ik het verdriet."
Als ik Aimée bijtijds op ga halen, zodat we samen naar het hoofdgebouw kunnen lopen, kom ik Daniëlle, de moeder van Ayla tegen en kort daarop ook Matthijs, de vader van Eveline. Ik wil graag met beiden oplopen en dat lukt. Onze dochters lopen mee.
Onderweg passeren we allerlei kindjes met hun ouders. Ze zwaaien naar Aimée. Gek om te merken dat zij allerlei vriendjes heeft, die ik nog nooit heb gezien. Stom om gedacht te hebben dat zij misschien wel niet zo veel aansluiting heeft op school of dat ik haar bij het aangaan van vriendschappen zou moeten helpen. Dat kan ze prima (en waarschijnlijk ook alleen maar) zelf.
De stemming is opgewekt. De kinderen vergelijken de kleine flesjes bellenblaas die ze hebben gekregen onderling. "Mijne is roze!" "Bij mij staat er een eenhoorn op." De flesjes gaan vast open en ze blazen in het rond.
Bij het hoofdgebouw aangekomen, nemen de kinderen een plekje in op de trappen van het gebouw. Ik help een beetje. Als ouders nemen we wat afstand en staan we op het plein. Dan verschijnt de directrice. Ze geeft een soort verbaal startschot en dan is het: blazen maar.
Het effect is overweldigend. De bellen stijgen op naar de zon in de strakblauwe lucht, die iets of iemand voor de gelegenheid heeft neergezet. Eén van de eerste zonovergoten lentedagen.
Het lijkt wel alsof de bellen een soort stilte neerzetten. Een vrolijke stilte. Een prachtige, bewogen stilte, met een glimlach.
Ik krijg het te kwaad, Daniëlle pakt mijn arm en Matthijs staat net als ik een beetje te huilen. "Dat is al de tweede keer dat ik hem op het schoolplein zie huilen," grap ik, in een poging Matthijs op zijn gemak te stellen.
"Denk je dat ze dit ziet?" zegt Daniëlle. "Ja, zeker!" zeg ik overtuigd - ik sta er zelf versteld van - en ik stel me voor dat het meisje stralend kijkt naar wat de kinderen voor haar doen.
Na een paar minuten zegt de directrice: "en nu zwaaien we nog allemaal een keer naar Helena in de hemel" - de atheïst en agnost in mij snoer ik de mond. Ja, we zwaaien allemaal nog een keer naar Helena in deze hemel zo blauw dat het bijna pijn doet.
Dan gaan de kinderen weer spelen, lekker op het plein.
Ik besef die avond dat ik niet alleen ben tussen de ouders hier op school. Ik heb verdriet en ontroering kunnen delen met twee mensen om me heen. Dat is een vorm van vriendschap, verbondenheid.
Waar iets of iemand sterft, wordt altijd ook iets nieuws geboren.
zaterdag 16 maart 2019
Dood
Er is een meisje van school overleden. Groep vijf; acht, negen jaar oud dus. Of liever gezegd jong.
Als ouders kregen we een mail met een "verdrietig bericht" van de directeur; als je dat leest als subject title, weet je eigenlijk al hoe laat het is. Al hoop je stiekem natuurlijk dat het gaat over een schoolreisje dat niet doorgaat of zo, of een lieve leraar die een andere baan heeft...
In de klas praten de docenten erover met de kinderen. De kinderen mogen vragen stellen. Juf Martine vertelde me dat Aimée vroeg of het ook zo was gegaan met haar oom. Martine had een maand of wat eerder een dagje niet voor de klas gestaan vanwege diens begrafenis. Dat Aimée dat precies onthouden heeft...
Thuis vraagt ze me opgewekt: "Mama, wat is kakker?"en in de zandbak graaft ze zichzelf in en speelt ze vrolijk "dood."
Ik geef rustig antwoord op haar vragen en speel het spel mee. Denk nu niet aan de ouders van het meisje, stel me nu niet voor hoe het moet zijn om je kind te verliezen. Sommige dingen zijn te groot, of te gecompliceerd. Vandaag houden we het klein en simpel.
Ik geef de graafmachine nog een zetje en kus het zogenaamde dode zusje en haar broertje op hun wang. "We gaan naar binnen!"
Als ouders kregen we een mail met een "verdrietig bericht" van de directeur; als je dat leest als subject title, weet je eigenlijk al hoe laat het is. Al hoop je stiekem natuurlijk dat het gaat over een schoolreisje dat niet doorgaat of zo, of een lieve leraar die een andere baan heeft...
In de klas praten de docenten erover met de kinderen. De kinderen mogen vragen stellen. Juf Martine vertelde me dat Aimée vroeg of het ook zo was gegaan met haar oom. Martine had een maand of wat eerder een dagje niet voor de klas gestaan vanwege diens begrafenis. Dat Aimée dat precies onthouden heeft...
Thuis vraagt ze me opgewekt: "Mama, wat is kakker?"en in de zandbak graaft ze zichzelf in en speelt ze vrolijk "dood."
Ik geef rustig antwoord op haar vragen en speel het spel mee. Denk nu niet aan de ouders van het meisje, stel me nu niet voor hoe het moet zijn om je kind te verliezen. Sommige dingen zijn te groot, of te gecompliceerd. Vandaag houden we het klein en simpel.
Ik geef de graafmachine nog een zetje en kus het zogenaamde dode zusje en haar broertje op hun wang. "We gaan naar binnen!"
dinsdag 5 maart 2019
Twijfelzucht
In de studeerkamer van mijn schoonouders, half verstrengeld met baby Sol, word ik wakker zonder dwanggedachten. Zo blijf ik een paar minuten liggen. Tot ze komen. En het gaat ongeveer zo:
"Waarom heb ik nou geen Indiase kip gekookt voor mijn schoonouders? Dat had ik toch best kunnen doen? Ja, verse koriander is hier moeilijk verkrijgbaar, maar vanavond gaan we bij El Gordo moqueca eten, een Braziliaans visgerecht, en daar zit ook koriander in, daarvoor gaan ze naar de Géant, een supermarkt wat verder weg.
Misschien kan ik het nog maken voordat we weggaan. We hebben immers nog een paar dagen. Dan vraag ik Gaetano of hij, als hij naar de Géant gaat, ook verse koriander voor mij meeneemt. En gedroogde koriander. En gember, en yoghurt enzo. Misschien de tomaten bij de groentenwinkel kopen hier om de hoek.
Ik kan maar beter opstaan om het hem te vragen, want hij zou met zijn vader vroeg weggaan om een televisie op te halen, en misschien combineert hij dat wel met het boodschappen doen bij de Géant."
Ik wurm me onder Sol uit en spring uit bed. Wil de deur open doen, maar de knop draait niet mee, alsof de kamer zegt: blijf jij hier maar opgesloten zitten met je dwang! Shit, ze zijn toch niet al weg? Straks zit ik hier de hele ochtend! Dan hoor ik mijn schoonvader in de huiskamer lopen en roep hem: "Javier, la puerta no abre!"
Nu moet het dwangplan worden besproken. Eerst met mijn schoonmoeder: "Beatriz, ik wil eigenlijk nog een keer kip maken. Wat denk je dat daarvoor een goede dag zou zijn? Vandaag? Nee, vandaag gaat denk ik niet meer lukken, want we willen vanochtend inderdaad nog naar het strand. Morgen? Nee, morgen hebben we afsgesproken met wat vrienden. Donderdag! Dat we dan bezig zullen zijn met inpakken? Nou... Dan kan ik ook best koken, toch? Of denk je dat dat inderdaad te veel is. Ja, misschien wel, zou kunnen. Of niet. Jewel, ik denk het wel." Dan met man Gaetano: "Gae, als jij straks naar de Géant gaat, kun je dan verse koriander voor me meenemen? Paprikapoeder en kurkuma hebben ze, toch? Beatriz?"
Behalve het al dan niet koken en wanneer, komen er nog wat thema's bij me op: gaan we nog naar de Mercado de los Artesanos in Montevideo of niet? Toch liever naar het strand en hoe doen we dat in de middag. Gaan we dan nog naar onze vrienden die we kennen uit Nederland, of gaan we daar pas 's avonds heen?
Het gezonde deel van mij bedenkt gelukkig dat het misschien een goed idee is om eerst eens rustig te ontbijten en dan eventueel nog eens naar die dingen te kijken. Ik warm melk op en schuim ze voor de koffie. Doe twee broodjes in de toaster, pak wat jam en kaas.
We besluiten deze ochtend naar het strand te gaan en ik probeer mijn twijfel naast me neer te leggen in de auto. Stel me de twijfel voor als een munt (als in: kop of munt?) die ik loslaat in het water van de Rio de La Plata. En het kipgerecht als iets dat zichzelf al dan niet gaat maken, zonder dat ik daar over na hoef te denken of er iets voor hoef te doen.
Het helpt, het werkt. Ik kan in het nu zijn, met mijn voeten in de golven, baby Sol in de draagzak op mijn borst.
Ik geniet van Valentín, die helemaal in zijn element is, het water in en uit loopt. Met zijn stok in het zand "schrijft", een boog die een naam is voor een kind van drie. Ik ga de golven in een plas in de zee. Ik zing liedjes en doe een dansje voor mijn baby.
Als het - vanwege de intensiteit van de zon - tijd is om naar huis te gaan, merk ik dat ik best langer had willen blijven. Gewoon nog zo te zijn, zonder iets te hoeven.
Eenmaal thuis weet ik wat ik doe: die kip maak ik wel weer als ik thuis ben, naar de markt gaan we als het morgen regent en het strand pakken we mee als de zon schijnt en we over de auto kunnen beschikken.
En de twijfel? Die krijgt ook zijn plekje. In een stukje vandaag voor mijn blog.
"Waarom heb ik nou geen Indiase kip gekookt voor mijn schoonouders? Dat had ik toch best kunnen doen? Ja, verse koriander is hier moeilijk verkrijgbaar, maar vanavond gaan we bij El Gordo moqueca eten, een Braziliaans visgerecht, en daar zit ook koriander in, daarvoor gaan ze naar de Géant, een supermarkt wat verder weg.
Misschien kan ik het nog maken voordat we weggaan. We hebben immers nog een paar dagen. Dan vraag ik Gaetano of hij, als hij naar de Géant gaat, ook verse koriander voor mij meeneemt. En gedroogde koriander. En gember, en yoghurt enzo. Misschien de tomaten bij de groentenwinkel kopen hier om de hoek.
Ik kan maar beter opstaan om het hem te vragen, want hij zou met zijn vader vroeg weggaan om een televisie op te halen, en misschien combineert hij dat wel met het boodschappen doen bij de Géant."
Ik wurm me onder Sol uit en spring uit bed. Wil de deur open doen, maar de knop draait niet mee, alsof de kamer zegt: blijf jij hier maar opgesloten zitten met je dwang! Shit, ze zijn toch niet al weg? Straks zit ik hier de hele ochtend! Dan hoor ik mijn schoonvader in de huiskamer lopen en roep hem: "Javier, la puerta no abre!"
Nu moet het dwangplan worden besproken. Eerst met mijn schoonmoeder: "Beatriz, ik wil eigenlijk nog een keer kip maken. Wat denk je dat daarvoor een goede dag zou zijn? Vandaag? Nee, vandaag gaat denk ik niet meer lukken, want we willen vanochtend inderdaad nog naar het strand. Morgen? Nee, morgen hebben we afsgesproken met wat vrienden. Donderdag! Dat we dan bezig zullen zijn met inpakken? Nou... Dan kan ik ook best koken, toch? Of denk je dat dat inderdaad te veel is. Ja, misschien wel, zou kunnen. Of niet. Jewel, ik denk het wel." Dan met man Gaetano: "Gae, als jij straks naar de Géant gaat, kun je dan verse koriander voor me meenemen? Paprikapoeder en kurkuma hebben ze, toch? Beatriz?"
Behalve het al dan niet koken en wanneer, komen er nog wat thema's bij me op: gaan we nog naar de Mercado de los Artesanos in Montevideo of niet? Toch liever naar het strand en hoe doen we dat in de middag. Gaan we dan nog naar onze vrienden die we kennen uit Nederland, of gaan we daar pas 's avonds heen?
Het gezonde deel van mij bedenkt gelukkig dat het misschien een goed idee is om eerst eens rustig te ontbijten en dan eventueel nog eens naar die dingen te kijken. Ik warm melk op en schuim ze voor de koffie. Doe twee broodjes in de toaster, pak wat jam en kaas.
We besluiten deze ochtend naar het strand te gaan en ik probeer mijn twijfel naast me neer te leggen in de auto. Stel me de twijfel voor als een munt (als in: kop of munt?) die ik loslaat in het water van de Rio de La Plata. En het kipgerecht als iets dat zichzelf al dan niet gaat maken, zonder dat ik daar over na hoef te denken of er iets voor hoef te doen.
Het helpt, het werkt. Ik kan in het nu zijn, met mijn voeten in de golven, baby Sol in de draagzak op mijn borst.
Ik geniet van Valentín, die helemaal in zijn element is, het water in en uit loopt. Met zijn stok in het zand "schrijft", een boog die een naam is voor een kind van drie. Ik ga de golven in een plas in de zee. Ik zing liedjes en doe een dansje voor mijn baby.
Als het - vanwege de intensiteit van de zon - tijd is om naar huis te gaan, merk ik dat ik best langer had willen blijven. Gewoon nog zo te zijn, zonder iets te hoeven.
Eenmaal thuis weet ik wat ik doe: die kip maak ik wel weer als ik thuis ben, naar de markt gaan we als het morgen regent en het strand pakken we mee als de zon schijnt en we over de auto kunnen beschikken.
En de twijfel? Die krijgt ook zijn plekje. In een stukje vandaag voor mijn blog.
maandag 4 maart 2019
Ay, Uruguay
Uruguay... Ruim een half jaar de geboorte van Sol reizen we weer
naar het landje tussen Brazilië en Argentinië, een dwerg tussen twee
reuzen (maar nog altijd ruim vier keer groter dan Nederland), de plek
waar de wortels van mijn man Gaetano liggen. Zoals de Argentijnen zeggen: ay, Uruguay!
En ik herinner me hoe ik op Gaetano
verliefd werd op een avond in De Melkweg, nadat hij zes weken in
Uruguay was geweest: zongebruind en ontspannen. Als hij ergens van op
zal knappen, dan is het van een vakantie hier.
Deze
reis is van levensbelang voor hem, voor Gaetano. Vorig jaar heb ik een psychotische
depressie doorgemaakt; was ruim drieëneenhalf maand opgenomen in de
Nieuwe Valerius; kon mijn obsessieve gedachten niet meer stoppen.
Ze
domineerden me, de gedachten. Ik zat erin opgesloten en zag de uitweg
niet meer. Behalve die ene, definitieve dan. En ik kon niet ophouden met
over mijn obsessies te praten; over al wat ik had moeten doen, maar
niet had gedaan, over hoe ik alles fout had gedaan en het nu geen zin
meer had, over wat we nú meteen moesten doen, over dat ik een slechte
moeder was, die maar beter niet meer kon leven. Om het plaatje compleet
te maken, was ik tijdens die opname ook nog zwanger.
Niet
niks natuurlijk, als je vrouw de hele dag roept dat ze dood wil, als
een soort vijand tegenover je staat, terwijl jij je best doet om alle
ballen hoog te houden: voor de kinderen te zorgen, jezelf staande te
houden en je werk te blijven doen, met het vooruitzicht dat er straks
nog een kleintje bijkomt. En dat in een land dat eigenlijk niet het
jouwe is, waar je de administratieve wegen niet goed kent en ook maar
weinig (praktische) steun hebt van (schoon)familie.
De
onmacht over de situatie was op een gegeven moment zo groot dat Gaetano
tegen een deur sloeg en daarbij zijn hand brak. Kort daarna is mijn
schoonmoeder Beatriz een maand naar Nederland overgekomen om te helpen met
de zorg van het gezin. Anders hadden we het misschien wel niet gered.
Dat
alles, of het ergste ervan, ligt nu weliswaar achter ons, maar
nog steeds vecht ik iedere dag met waanachtige gedachten, die ik maar
moeilijk los kan laten. En zoeken Gaetano en ik naar een nieuw gevoel
van vertrouwen en samen zijn, nadat hij er voor een groot deel alleen
voor heeft gestaan.
We zijn nu met zijn vijven. Sol werd op 31 juli geboren. Prachtig: in drie keer persen,
nog geen tien minuten na aankomst van de verloskundige, onvermijdelijk
thuis (en tegen het advies van de dokters in, die in
verband met de medicijnen die ik slikte, hadden bepaald dat het een
ziekenhuisbevalling moest worden.) De andere kinderen zaten Buurman te
kijken op de bank in de huiskamer; Valentín van tweeëneenhalf kwam na de
bevalling zijn broertje een dinosaurus geven (die had ik nog geen
anderhalf uur eerder voor hem bij de Hema gekocht). Vivian, grote zus
van bijna vijf, had een tekening voor hem gemaakt.
En
nu dus met de hele bups naar de andere kant van de wereld, een reis van
ons naar Beatriz, die haar zeventigste verjaardag zal vieren en naar hem, Javier, mijn schoonvader, bij wie we drie weken zullen logeren.
Ik
vind het spannend, want we hebben vaker langere tijd bij hen gebleven
en ik vond het dan best moeilijk om met het hele gebeuren mee te bewegen. Mijn eigen plek te vinden. (Ik las een keer in een Yogamagazine dat als je jezelf verlicht achtte, je eens een weekend bij je schoonouders door zou moeten brengen... Best een beproeving dus!)
Aan de andere kant vind ik het een fijn
idee dat de kinderen hun andere thuisland leren kennen, behalve hun opa
en oma ook hun neef en nicht hier, allerlei ooms en tantes,
achterneefjes en -nichtjes, de cultuur, het klimaat, de grond... Dat
voelt goed.
vrijdag 4 januari 2019
Achilleshiel
"Eveline wil vaak niet met mij spelen, maar wel met Madelief," zegt Aimée. "Zij zitten samen aan een tafel en dat is niet eerlijk." "En mijn tekeningen vindt Eveline grappig."
"Zie je wel, denk ik, zie je wel! Ik wíst het. De kinderen op deze school zijn niet leuk. Op de vórige school, nee, die dáárvoor had Aimée lieve vriendinnetjes. Die deden niet zo onaardig. Ik heb er slecht aan gedaan haar naar deze school te doen. Zie je wel!"
Mijn Achilleshiel...
Drie keer heb ik mijn kind van school veranderd. Uit angst dat het niet goed was waar ze zat, of te wel: niet perfect.
Het gevoel van "het is niet goed" werd met elke verandering alleen maar sterker. De behoefte aan controle ook. En dat terwijl mijn dochter een kind is dat zich voegt naar de situatie. Een kind dat nieuwsgierig is, sociaal en open, zelfverzekerd, dat niet denkt in termen van goed of slecht...
Ik dacht mezelf gék: ze moest terug, mijn dochter, of toch juist weer ergens anders heen. Stond ze op het punt kennis te gaan maken op school 1, stuurde ik haar op het laatste moment naar school 2, want school 1 was raar en pretentieus. Zat mijn kind op school 2, dan vond ik ze rommelig en slecht georganiseerd en bedacht ik me dat het toch niet zo handig was in een andere dan onze eigen buurt te zitten. Deed ik haar naar school 3 (want die was in elk geval gemengder), dan kreeg ik spijt en moest ze terug naar school 2. Was het mogelijk een verandering te maken, dan koos ik toch voor school 1 en werd in mijn hoofd school 3 helemaal nog niet verkeerd, of eigenlijk juist heel goed, want met zo'n lief klasgenootje en zulke fijne ouders in het koor. Of had het toch echt school 2 moeten zijn, want daar zaten zulke lieve meisjes. Kunnen jullie me nog volgen, of zijn jullie de draad al kwijt?
Ik was de draad wél kwijt. Behoorlijk kwijt ook. Ben drie en een halve maand opgenomen geweest in de Valeriuskliniek omdat de paniek over al die (veronderstelde) verkeerde keuzes te groot werd en ik niet meer wist hoe ik het had. Diagnose: depressie met psychotische kenmerken.
Twijfelzucht, noemen ze het ook wel en ik heb het nog steeds. Soms over kleine dingen en dan ook echt tot in het absurde (je helemaal gék denken over die of die kerstboom, de rechte blauwspar of de schuine groene). Soms over grote(re) levenskeuzes en dan met name de keuzes die al gemaakt zijn. Niet alleen over de school; ook over keuzes op het gebied van carrière (of juist het ontbreken daarvan), vestiging (niet dat nieuwbouwhuis in Noord genomen en ook dat "fantastische grote" huis in Westerpark laten lopen). Alles, alles was verkeerd...
En toch zit ik hier. Met een vijf maanden oude, gezonde, vrolijke en allerliefste baby heerlijk slapend op mijn buik. In ons ontzettend gezellige en kleurrijke appartementje, dat klein is, maar o zo knus; gelegen aan één van de mooiste speeltuinen van de Hoofddorppleinbuurt, een geheim paradijsje.
Mijn andere kinderen slapen. Hebben vanavond nog heerlijk gespeeld. We zijn naar een prachtige voorstelling geweest, van circus Zanzara. Thuis hebben ze paspoorten getekend en huisjes gebouwd met de kussens van de bank.
Ook mijn man ligt al onder de wol. Hij is er één uit duizenden, die, ondanks mijn gek makende gedachten en daaruit volgende gedragingen, nog steeds bij me is en samen met mij voor ons allemaal zorgt.
Het leven gaat door, ook al wil een deel van mij het steeds stop zetten, terugspoelen, opnieuw en opnieuw bekijken, terug gaan naar wat "het beste" was.
En dat terwijl alleen het hier en nu bestaat.
Ik doe de lichten uit, draai de verwarming lager en besluit dat dát, in elk geval voor eventjes, gewoon genoeg is.
"Zie je wel, denk ik, zie je wel! Ik wíst het. De kinderen op deze school zijn niet leuk. Op de vórige school, nee, die dáárvoor had Aimée lieve vriendinnetjes. Die deden niet zo onaardig. Ik heb er slecht aan gedaan haar naar deze school te doen. Zie je wel!"
Mijn Achilleshiel...
Drie keer heb ik mijn kind van school veranderd. Uit angst dat het niet goed was waar ze zat, of te wel: niet perfect.
Het gevoel van "het is niet goed" werd met elke verandering alleen maar sterker. De behoefte aan controle ook. En dat terwijl mijn dochter een kind is dat zich voegt naar de situatie. Een kind dat nieuwsgierig is, sociaal en open, zelfverzekerd, dat niet denkt in termen van goed of slecht...
Ik dacht mezelf gék: ze moest terug, mijn dochter, of toch juist weer ergens anders heen. Stond ze op het punt kennis te gaan maken op school 1, stuurde ik haar op het laatste moment naar school 2, want school 1 was raar en pretentieus. Zat mijn kind op school 2, dan vond ik ze rommelig en slecht georganiseerd en bedacht ik me dat het toch niet zo handig was in een andere dan onze eigen buurt te zitten. Deed ik haar naar school 3 (want die was in elk geval gemengder), dan kreeg ik spijt en moest ze terug naar school 2. Was het mogelijk een verandering te maken, dan koos ik toch voor school 1 en werd in mijn hoofd school 3 helemaal nog niet verkeerd, of eigenlijk juist heel goed, want met zo'n lief klasgenootje en zulke fijne ouders in het koor. Of had het toch echt school 2 moeten zijn, want daar zaten zulke lieve meisjes. Kunnen jullie me nog volgen, of zijn jullie de draad al kwijt?
Ik was de draad wél kwijt. Behoorlijk kwijt ook. Ben drie en een halve maand opgenomen geweest in de Valeriuskliniek omdat de paniek over al die (veronderstelde) verkeerde keuzes te groot werd en ik niet meer wist hoe ik het had. Diagnose: depressie met psychotische kenmerken.
Twijfelzucht, noemen ze het ook wel en ik heb het nog steeds. Soms over kleine dingen en dan ook echt tot in het absurde (je helemaal gék denken over die of die kerstboom, de rechte blauwspar of de schuine groene). Soms over grote(re) levenskeuzes en dan met name de keuzes die al gemaakt zijn. Niet alleen over de school; ook over keuzes op het gebied van carrière (of juist het ontbreken daarvan), vestiging (niet dat nieuwbouwhuis in Noord genomen en ook dat "fantastische grote" huis in Westerpark laten lopen). Alles, alles was verkeerd...
En toch zit ik hier. Met een vijf maanden oude, gezonde, vrolijke en allerliefste baby heerlijk slapend op mijn buik. In ons ontzettend gezellige en kleurrijke appartementje, dat klein is, maar o zo knus; gelegen aan één van de mooiste speeltuinen van de Hoofddorppleinbuurt, een geheim paradijsje.
Mijn andere kinderen slapen. Hebben vanavond nog heerlijk gespeeld. We zijn naar een prachtige voorstelling geweest, van circus Zanzara. Thuis hebben ze paspoorten getekend en huisjes gebouwd met de kussens van de bank.
Ook mijn man ligt al onder de wol. Hij is er één uit duizenden, die, ondanks mijn gek makende gedachten en daaruit volgende gedragingen, nog steeds bij me is en samen met mij voor ons allemaal zorgt.
Het leven gaat door, ook al wil een deel van mij het steeds stop zetten, terugspoelen, opnieuw en opnieuw bekijken, terug gaan naar wat "het beste" was.
En dat terwijl alleen het hier en nu bestaat.
Ik doe de lichten uit, draai de verwarming lager en besluit dat dát, in elk geval voor eventjes, gewoon genoeg is.
Abonneren op:
Posts (Atom)