dinsdag 24 maart 2020

Laatste dagen aan het Legmeerplein

Sinds een paar weken droom ik weer. 's Nachts bedoel ik. Misschien droomde ik al die tijd al, maar sinds kort herinner ik me weer wat ik droomde, als ik wakker word. Dat was ik al een hele tijd kwijt.
Misschien is het dagdromen tegelijk met het nachtdromen ook weer begonnen. We gaan verhuizen en het lijkt alsof ik nu weer de ruimte krijg in mijn leven om nieuwe plannen te maken.
We nemen afscheid van onze oude buurt. Het zijn rare omstandigheden, maar de zon schijnt zó uitbundig. De kinderen spelen zó uitgelaten buiten met de vriendjes van het plein; lijken meer dan ooit te genieten van de speeltuin voor onze deur...
Het lijkt alsof ik er zelf zo kan van genieten, juist omdát ik weet dat ik straks een huis krijg dat beter past bij mij en onze behoeften nu. Alsof ik nu al van mijn nieuwe wortels profiteer; me weer een beetje de oude en ook een nieuwe voel. Dat ik weer meer van mezelf houd, omdat ik me een plek met meer ruimte heb kunnen geven. Dat ik daarom ook weer meer (of als vanouds) kan houden van de mensen om me heen.
Het lijkt bijna alsof ik nu eindelijk het pad heb gevonden, dat ik de afgelopen twee jaar maar niet kon vinden, toen ik zo de weg kwijt was...
De grote speeltuin hebben we straks niet meer. Wél een kleintje, waar je vast ook heerlijk rondjes kan fietsen. En een terras waar je een badje neer kan zetten, of een zandtafel, of een moestuinbak, zodat je kunt spelen en tuinieren in de zon. En een nieuwe grote speeltuin twee straten verderop.
Onze buurkinderen gaan we missen, maar ik heb al drie meisjes van Vivians leeftijd zien voetballen op een pleintje om de hoek en jongetjes van Camilo's en Leandro's leeftijd langs zien fietsen.
Het huis waar de drie kinderen alledrie geboren zijn, waar Gerardo en ik in dertien jaar ons nest hebben gebouwd, waar we genoten van het uitzicht op de bloesembomen, laten we los. Daarvoor in de plaats komt een woningbouwpaleisje met eigen opgang, grote slaapkamers, een open keuken en een ruimte om te creëren en studeren.
De steeds sjieker geworden buurt waar we zo aan gehecht waren geraakt, het Vondelpark op steenworp afstand, de mooie straten en bomen, het Hoofddorpplein, de statige huizen, we zeggen ze vaarwel. En we gaan op naar het avontuur in Noord, met het IJ vlakblij, een lief winkelstraatje en een markt om de hoek, de huizen tot twee hoog...
Ik ben er klaar voor. Het lijkt nog maar een klein stapje naar 180 graden om.

zondag 11 augustus 2019

Dansje

Camilo heeft een dansje. Het gaat ongeveer zo dat hij van het ene been op het andere been springt en daarbij het been waarop hij staat onder zijn bovenlichaam plaatst en het andere vanuit zijn heupen opzij gooit. Ook zijn hoofd en bovenlichaam bewegen daarbij heen en weer.
Al naar gelang de heftigheid van de emotie die het dansje uitdrukt (dat kan boosheid / driftigheid zijn, maar ook blijdschap en enthousiasme), neemt de frequentie van de bewegingen toe en worden ze al dan niet begeleid door een “ik wil niehiehiehiehiehiet” een “hihi” of gewoon een grote glimlach.
Laatst deed hij het hier op de camping in de familiedouche. Gleed hij uit en viel hij prompt op de gebroken witte tegels, waarbij hij overigens wel bleef lachen.
Vandaag deed hij een beperkte versie met alleen zijn bovenlichaam en hoofd, omdat hij net wakker was, zijn vader hem op had getild en hij geen TV mocht kijken. (“Ik wil nú Robin Hood kijken!”)
Wanneer hij ermee is begonnen, kan ik me niet echt herinneren, maar ik weet nog wel wat één van de buurvrouwen zei toen we in november 2017 (Camilo was toen anderhalf) langs de deuren gingen voor Sint Maarten: “Heel mooi gezongen jullie en jij heel mooi gedanst!”

dinsdag 6 augustus 2019

Feest

“Gaan we nu naar De Pan?”  vraagt ze en we kijken elkaar aan. Ja, het is feest vandaag op Camping Bakkum en je hoort de dreunende bas van de boxen bij het theater met de halfronde kap op kilometers afstand. Blijkbaar heeft het nieuws zich ook onder de kinderen verspreid, want Aimée vindt dat wij moeten gaan.
Ik had er wel zin in. Stelde me een discosfeertje voor en zag de bars al klaar staan. Wat we aanvankelijk uit de verte hadden gehoord van een coverband, klonk nog zo slecht niet, maar de smartlappen die er achteraan kwamen, vond ik wat minder aantrekkelijk.
“Laten we maar even gaan kijken joh,” zeg ik en we staan op om de bups klaar te maken. Sol in de draagdoek, Valentín in de buggy (grote kans dat hij in slaap valt!) en Aimée op de fiets.
Het theater is ongeveer 500 m lopen en in de grond uitgehakte tribune zit helemaal vol. Gaetano loopt naar een plekje aan de zijkant.
Inmiddels heeft een R’n’B zangeres het podium ingenomen: Birgit (spreek uit: Burgit) Lewis. Geflankeerd door twee danseressen in zwarte gordijnenpakjes en begeleid door de band (spreek uit: band; wie heeft er met zo’n stem live-muzikanten nodig?) zingt ze nummers van Rihanna (geloof ik?) en Beyoncé, maar ook van Shaka Kahn en Tina Turner.
Aimée wil het zien; ik weet niet precies wat het is dat haar fascineert. De pakjes van de danseressen misschien of hun moves, of simpelweg de Vrouw met de Stem, maar we bewegen meer naar het midden en ik neem haar op mijn nek. Ze wil het nóg beter zien en neemt me aan mijn hand mee naar voren.
Dicht bij het podium is genoeg plek. De toeschouwers of liever gezegd meedansers hier zijn allemaal meisje en onder de zestien. Hier kun je heerlijk jezelf zijn, met een knuffel onder je arm, je wasberenpak aan, of gewoon in je lievelingsrokje. Ik vind het plezier van mijn dochter een goed excuus omweer eens gewoon lekker te dansen alsof niemand kijkt. Het lijkt alsof het jaren, zwangerschappen, kraamtijden en schooljaren geleden is  dat ik dat heb gedaan.
Na het toegift van Burgit (Purple Rain van Prince), neemt Bob met de Blue Boys het over. Hij, de zanger, in wit-zwart, zij, de muzikanten, in zwart-wit. Zingen gewoon waar ze zin in hebben: ben nu alleen even vergeten wat.
Oh ja, Queen bijvoorbeeld. Als ze zingen “Don’t stop me now! (‘Cause I’m having a good time)” appt manlief me of ik hem de sleutels van het huis kom brengen. De broertjes zijn blijkbaar in slaap gevallen. We lopen de berg weer op en brengen de sleutels, gaan dan nog even terug naar het podium, maar het momentum is weg. Als ik Aimée vraag of ze nog wil blijven of naar huis wil, zegt ze: naar huis. ’t Is mooi geweest.

vrijdag 24 mei 2019

Woningnet

Wij wonen... klein. Ons appartement is vijfenvijftig vierkante meter. We hebben twee slaapkamers en drie kinderen. De indeling is gunstig, maar vergeleken met sommige anderen is de woning best wel beperkt. We hebben een balkon, waar we ook de nodige spullen kwijt moeten, en geen tuin, dus echte buitenspeelruimte hebben we niet.
Althans, niet voor onszelf. Vóór ons huis is echter een hele ruime speeltuin, waar je naar hartelust kunt rondbanjeren en je altijd andere kinderen ontmoet met wie je taartjes of oliebollen kunt bakken of vadertje en moedertje kunt spelen.
Soms vertel ik mezelf dat we dus in een klein paradijsje wonen, waar alles wat we nodig hebben eigenlijk al is. Andere keren wil ik meer en vind ik dat we een ruim huis zouden moeten hebben, op de begane grond het liefst, zodat de kinderen meer ruimte hebben om binnen te spelen
Vanuit die mening kijk ik dan regelmatig op Woningnet, om te kijken of we misschien in aanmerking komen voor iets groters, iets beters.

Volgens mij zijn er weinig dingen zenuwslopender dan zo'n zoektocht naar een huis in Amsterdam.  Voor wie het systeem van Woningnet niet kent: je kunt elke week op twee sociale huurwoningen reageren en al naar gelang de wachttijd die je hebt opgebouwd (in ons geval zeventien jaar) én de eventuele van toepassing zijnde voorrangsregelingen waarvoor je in aanmerking komt (als jongere, bijvoorbeeld, als senior, of, zoals in ons geval, als "groot" gezin), krijg je een nummer toebedeeld in de wachtrij.

Het computerprogramma houdt dat de hele reactieperiode van een week en voor elk moment bij, dus misschien ben je nummer één op dag één (wow, het huis is hoe dan ook voor jou!), sta je de volgende dag op nummer zeven (je maak tin elk geval kans!) en ben je aan het eind van de week nummer drieëndertig geworden (vergeet het maar...).

Mocht je wél in aanmerking komen voor een bezichtiging, dan is dat het enige moment dat je kunt komen kijken (moet je dus niet toevallig moeten werken of iets anders belangrijks hebben), en vervolgens moet je binnen één werkdag beslissen of je het huis wil of niet. En moet je min of meer binnen een maand verhuizen, tenzij je dubbele maandlasten kunt betalen (wat de meeste mensen die voor een sociale huurwoning in aanmerking komen, niet kunnen).

Soms ben ik bijna blij dat er niets opstaat wat mijn goedkeuring kan wegdragen, want dan hoef ik tenminste niet te gaan hopen, voors en tegens tegen elkaar af te wegen, teleurgesteld te raken of op het laatste moment toch koudwatervrees te krijgen voor een daadwerkelijke verhuizing.

Het is al drie keer voorgekomen dat we zijn gaan kijken en dat we het toch niet wilden of niet aandurfden. Eén keer hebben we daarvan een paar weken later best wel spijt gehad, maar gelukkig slijt spijt ook.

Deze week zijn er maar liefst twee woningen (met tuin en voldoende kamers) die we wel zouden willen hebben.
De ene staat aan de Vegastraat, in "hip and happening" doch "far and away" noord: hier te gaan wonen zou een draai van 180 graden zijn, een sprong in het duister over het Vondelpark, het stadcentrum en IJ, weg uit ons zo geliefde buurtje aan het Hoofddorpplein. Met een zachte landing, dat wel, in authentiek Tuindorp Oostzaan, in een halfvrijstaande woning in een gemoedelijke straat.
De andere woning is in de Rivierenbuurt, een deel van de stad dat ik altijd als saai en statisch, grijze-muizerig heb beschouwd, maar waar veel families met kinderen schijnen te wonen, beschikt over een mooie architectuur en niet ver weg is van onze huidige uitvalsbasis én de levendige Pijp. Als ik door het saaie en statische heenkijk, zie ik ook rust en ruimte. En gemoedelijkheid: een Deen-supermarktje en een groen en schattig schooltje om de hoek.

Nou ja, de tijd zal het leren. De zon schijnt en eigenlijk zit ik hier, aan mijn keukentafel met uitzicht op bomen en het plein, wel goed. Ik ga lekker vader en moedertje spelen.

dinsdag 26 maart 2019

Triggers

Als psychotisch depressieveling (of is het depressieve psychoot?) heb ik een heel scala aan dingen die mij kunnen triggeren. Dingen waarin ik me met een negatieve overtuiging of twijfel vast kan zetten, in mijn hoofd.
Een anthroposofisch aandoend gebreid mutsje op het hoofd van een willekeurig kind, kan in mij de overtuiging wakker kussen dat ik mijn kind naar de Vrije School had moeten doen. Daarop volgt de vraag waarom ik dat niet gedaan heb en vervolgens het antwoord dat ik te stom ben geweest om dat te doen. En dan weer terug naar de overtuiging, de vraag, het antwoord en zo rond.

Een moeder die haar baby in een Yoyokinderwagen te slapen legt, herinnert mij eraan hoe handig die lichtgewicht wagen wel niet is; dat ik die wagen ook had willen hebben, dat ik hem had willen kopen en dat het zo stom is dat ik dat niet gedaan heb... En weer terug naar "hoe handig" en van daar naar "had ik ook" en naar "hoe stom" en zo verder. Ad infinitum.

Nou, bijna tot in de oneindigheid dan, want het begint erop te lijken dat, hoewel ik nog bijna dagelijks en meestal 's ochtends in zulke vicieuze denkspiralen terecht kom, ik er ook weer uitkom, in de loop van de dag in elk geval en steeds gemakkelijker en sneller. Dat ik langzaam maar zeker de stopknop begin te vinden.

Ik begin ook voorspelbaar te worden, niet alleen voor anderen, maar ook voor mezelf. Gisteren sprak ik een vader uit de buurt die niet zo te spreken was over de nieuwe toestellen in "onze" speeltuin. Dat is ook één van mijn obsessies: het had allemaal beter en mooier gemoeten en ík had op de inspraakavonden meer van me moeten laten horen.

In het gesprek met deze vader zeg ik dat niet. Ik probeer zijn oordeel te relativeren, noem de positieve kanten van de vernieuwing en vraag of hij soms ook moeite heeft met verandering, net als ik.
Als ik naar binnen ga voor het avondeten, denk ik bij mezelf dat mijn gedachten de volgende ochtend best wel eens over de speeltuin zouden kunnen gaan en verhip: ik sta 's ochtends op met in mijn hoofd de toestellen waarvan ik vond dat we ze hadden moeten hebben.

Ik zit er wel "in", in het denken, maar ik kan er ook een beetje van buitenaf naar kijken. Ik probeer mezelf net zo te behandelen als ik de vader uit de buurt gisteren deed: creëer een zonnig beeld van de speeltuin zoals hij nu is en zeg daarbij: zo is het goed.

Het werkt wel! Die middag neem ik mijn twee jongens mee naar een andere speeltuin, waar ze wel zo'n leuk speelhuisje voor de kleintjes hebben. Fijn om te merken dat Valentín in eerste instantie voor de tractor gaat die daar rondslingert en niet zo zeer voor het huisje.

We spelen er later wel in en ik denk bij mezelf: dit is niet onze eigen speeltuin, maar we kunnen er wel af en toe komen. Verandering van spijs doet eten: onze speeltuin is zo, een andere is zus en we hebben de vrijheid om dat allemaal te ervaren.

Meer kunnen we niet doen en dat hoeft ook niet, want ervaren is heel wat. Misschien is er zelfs wel niet veel meer dan dat.

maandag 25 maart 2019

Zeepbellen en tranen

Vandaag is er op school een ceremonie om afscheid te nemen van Helena, een meisje dat we gek genoeg pas na haar dood hebben leren kennen en wier foto bij de ingang op een tafeltje staat, tezamen met een boekje waarin je iets kunt schrijven.
Veel verder dan "Veel sterkte" kom ik daarbij niet. Onder de douche denk ik: "ook al ken ik je niet, toch voel ik het verdriet."

Als ik Aimée bijtijds op ga halen, zodat we samen naar het hoofdgebouw kunnen lopen, kom ik Daniëlle, de moeder van Ayla tegen en kort daarop ook Matthijs, de vader van Eveline. Ik wil graag met beiden oplopen en dat lukt. Onze dochters lopen mee.

Onderweg passeren we allerlei kindjes met hun ouders. Ze zwaaien naar Aimée. Gek om te merken dat zij allerlei vriendjes heeft, die ik nog nooit heb gezien. Stom om gedacht te hebben dat zij misschien wel niet zo veel aansluiting heeft op school of dat ik haar bij het aangaan van vriendschappen zou moeten helpen. Dat kan ze prima (en waarschijnlijk ook alleen maar) zelf.

De stemming is opgewekt. De kinderen vergelijken de kleine flesjes bellenblaas die ze hebben gekregen onderling. "Mijne is roze!" "Bij mij staat er een eenhoorn op." De flesjes gaan vast open en ze blazen in het rond.

Bij het hoofdgebouw aangekomen, nemen de kinderen een plekje in op de trappen van het gebouw. Ik help een beetje. Als ouders nemen we wat afstand en staan we op het plein. Dan verschijnt de directrice. Ze geeft een soort verbaal startschot en dan is het: blazen maar.

Het effect is overweldigend. De bellen stijgen op naar de zon in de strakblauwe lucht, die iets of iemand voor de gelegenheid heeft neergezet. Eén van de eerste zonovergoten lentedagen.
Het lijkt wel alsof de bellen een soort stilte neerzetten. Een vrolijke stilte. Een prachtige, bewogen stilte, met een glimlach. 
Ik krijg het te kwaad, Daniëlle pakt mijn arm en Matthijs staat net als ik een beetje te huilen. "Dat is al de tweede keer dat ik hem op het schoolplein zie huilen," grap ik, in een poging Matthijs op zijn gemak te stellen.

"Denk je dat ze dit ziet?" zegt Daniëlle. "Ja, zeker!" zeg ik overtuigd - ik sta er zelf versteld van - en ik stel me voor dat het meisje stralend kijkt naar wat de kinderen voor haar doen.

Na een paar minuten zegt de directrice: "en nu zwaaien we nog allemaal een keer naar Helena in de hemel" - de atheïst en agnost in mij snoer ik de mond. Ja, we zwaaien allemaal nog een keer naar Helena in deze hemel zo blauw dat het bijna pijn doet.

Dan gaan de kinderen weer spelen, lekker op het plein.

Ik besef die avond dat ik niet alleen ben tussen de ouders hier op school. Ik heb verdriet en ontroering kunnen delen met twee mensen om me heen. Dat is een vorm van vriendschap, verbondenheid.

Waar iets of iemand sterft, wordt altijd ook iets nieuws geboren.

zaterdag 16 maart 2019

Dood

Er is een meisje van school overleden. Groep vijf; acht, negen jaar oud dus. Of liever gezegd jong.
Als ouders kregen we een mail met een "verdrietig bericht" van de directeur; als je dat leest als subject title, weet je eigenlijk al hoe laat het is. Al hoop je stiekem natuurlijk dat het gaat over een schoolreisje dat niet doorgaat of zo, of een lieve leraar die een andere baan heeft...

In de klas praten de docenten erover met de kinderen. De kinderen mogen vragen stellen. Juf Martine vertelde me dat Aimée vroeg of het ook zo was gegaan met haar oom. Martine had een maand of wat eerder een dagje niet voor de klas gestaan vanwege diens begrafenis. Dat Aimée dat precies onthouden heeft...

Thuis vraagt ze me opgewekt: "Mama, wat is kakker?"en in de zandbak graaft ze zichzelf in en speelt ze vrolijk "dood."

Ik geef rustig antwoord op haar vragen en speel het spel mee. Denk nu niet aan de ouders van het meisje, stel me nu niet voor hoe het moet zijn om je kind te verliezen. Sommige dingen zijn te groot, of te gecompliceerd. Vandaag houden we het klein en simpel.

Ik geef de graafmachine nog een zetje en kus het zogenaamde dode zusje en haar broertje op hun wang. "We gaan naar binnen!"