"Wel jammer dat ik geen piemeltje heb, want dan kon ik staand én zittend plassen."
Aimée en ik liggen samen boven in het stapelbed, onder de hartjeslakens. Broertje Valentín onder ons ligt al te ronken. Die doet zijn ogen dicht, friemelt wat aan je borst en valt dan binnen een paar minuten in slaap. Bij Vivian gaat het anders. Zij heeft veel tijd nodig om tot rust te komen. Wil dingen vragen en vertellen. Mijn hand vast houden.
"Ja," antwoord ik. "Maar dan kon je nooit een baby in je buik hebben. Dat kunnen jongens niet."
Even is het stil. Dan zegt ze: "Hebben ze dat zo bedacht of is het zo maar zo gekomen?"
Nu ben ik even stil. Jeetje. Intelligent design, darwinisme, de essentie van het zijn, de zin van het bestaan misschien zelfs.
"Ik weet het niet," zeg ik dan. "Wat denk jij?"
Opnieuw een korte stilte.
"Ik denk dat ze dat zo bedacht hebben."
"Ja?" zeg ik dan. En ik vraag: "Wie denk je dan dat dat zo bedacht heeft?"
"Sinterklaas misschien?" zegt ze. Voor haar is hij de opa van alle kinderen.
"Ja," zeg ik, "misschien. Zullen we gaan slapen?"